Opgericht 20 juli 1951.
Goedgekeurd bij KB d.d. 16 november 1955.
Kamer van Koophandel Den Haag nr. 40408022
Aangesloten bij de Federatie Zuid West Nederland
Het is eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Vol bewondering lees ik de prachtige verhalen uit het legendarische boek “Karper” van Rini Groothuis. Ik smul werkelijk van de meeslepende vertellingen over een watertje in Engeland, genaamd Redmire pool, waar tot de verbeelding sprekende karpers rondzwemmen én gevangen worden. In 1952 vangt Richard Walker daar een gigantische schubkarper van 44lbs (40 pond). Chris Yates doet het dunnetjes over met een schub die op een paar gram na ditzelfde gewicht haalt. Ook vangt hij een rijenkarper van ruim 34 pond (later zal hij deze vis nog een keer vangen en weegt ie meer dan 45 pond). Rini’s verhaal over “Hij”, een schijnbaar niet te vangen beer van een spiegelkarper uit een Brabants kanaal, en natuurlijk het relaas van Willem Geestman over zijn 45 pond dynamiet doen het vissershart sneller kloppen. Het keer op keer lezen van de verhalen over deze vangsten maakt iets bij me los: Carpfever!!!!
De paauwvijver.
Vanaf dat moment vis ik intensiever op karper. Mijn uitrusting bestaat uit een 9ft’s glasvezel telescoophengel en een 10ft’s tweedelige glasvezel karperstok met een 1 3/4ponds testcurve. Een ABU cardinal en een shakespeare molen maken de sets af. Als beetverklikkers worden aluminiumfolie kokertjes gebruikt. In het begin beperkt het vissen zich tot een paar lokale watertjes. In de paauwvijver starten Will en ik een voercampagne. We maken beiden een voerplek aan de overkant van de vijver, op zo’n vijfentwintig meter afstand. Twee weken lang voeren we dagelijks op de uitgekozen stekken. Will kiest als aas deegballen op basis van kattenvoer en ik kies voor deegballen met hondenvoer als hoofdingrediënt. Als het zover is beginnen we vroeg in de avond met vissen. Het weer is goed. Na niet al te lang wachten krijgt Will een aanbeet, de waker kruipt omhoog, blijft halverwege staan en kruipt dan verder. Als de hoek tussen waker en hengel bijna weg is zwiept de hengel omhoog. Hangen!!!!! Na de aanslag neemt de vis een schot van enkele meters terwijl de slip zo goed als dicht staat. Het wordt buigen of barsten als de vis een onderwater obstakel bereikt. Een deining in de overkant verraadt de plek waar de vis zich heeft vast gezwommen. Dan volgt een harde knal en veert de hengel terug. De lijn heeft het begeven. Er volgen geen aanbeten meer, waardoor de teleurstelling nog groter is.
Na deze mislukte campagne gaan we over op een andere tactiek. ‘s Avonds struinen we de kantjes af, op zoek naar “grazende” karpers. Uiteindelijk wordt het doorzetten beloond. De vissen vergrijpen zich stuk voor stuk aan een drijvende korst. Zo wordt er weer een bladzijde toegevoegd aan het ongeschreven boek getiteld: Herinneringen aan een mysterieuze vis.
Lentekarper.
In mei leggen alle vogels een ei, dat is het gezegde. Niet alleen leggen de vogels eieren, de natuur ontwaakt uit de winterslaap. De nachten worden korter, de zon komt weer te voorschijn, het wordt warmer en……… karpers maken zich op om het voortbestaan van de soort te garanderen. Kortom, een mooie periode om de karper te bestoken in ondiep water.
Ik word wakker en kijk uit het raam. De zon staat hoog. Een blik op de klok leert dat het al na negen uur is. Ik besluit om een kijkje te gaan nemen bij de Jagerslaan. Dit watertje bestaat eigenlijk uit twee sloten die gescheiden worden door een weg. De sloten zijn verbonden door een duiker. De ene kant noemen we gemakshalve de duinkant en de andere kant de boskant. De duinkant heeft een maximumdiepte van circa één meter, de boskant moet het doen met hooguit 80cm. In de lente komen de vissen vanuit de Oude Rijn, via de Zijlwatering en de Zanderijvaart in de Jagerslaan terecht. Hier maken ze zich op voor het jaarlijkse paaifeest en blijven daarna nog enkele weken hangen.
Ik vraag mezelf af wat voor aas ik ga gebruiken. Ik kook een paar piepers in half volle melk en voeg tijdens het koken wat suiker toe. Wat mij opvalt is dat de aardappelen niet afbrokkelen en naar slagroom ruiken. Ik laat ze afkoelen en proef een stukje. Mijn smaakpapillen registreren dat ik meer suiker heb gebruikt dan ik dacht. Het is goed zo, géén probleem, hup in een plastic bak ermee, deksel erop en in de vistas. Een half wit erbij, één hengel en twee steunen. Uhhh….. vergeet je schepnet niet joh!!. Op naar het water. Na een ritje van pakweg vijf minuten parkeer ik mijn auto en wandel, gewapend met mijn visspullen, langs het water aan de boskant. Het wandelen gaat snel over in sluipen als ik twee schaduwen in het midden van het water waarneem. Karper!! Eentje oogt wel heel klein, misschien een pondje of acht, de ander lijkt veel groter, rond de 20pond. Ik schuif de twee delen van de hengel in elkaar, haal de lijn door de ogen, bevestig een haak en richt de ogen nog even zodat ze in één lijn staan. De vissen liggen niet aan de oppervlakte dus wordt het een brok aardappel, voor de zekerheid kijk ik nog even naar de plek waar de vissen zojuist lagen……………………..hé waar zijn ze nou? Ze zijn nergens meer te bekennen. Ietwat teleurgesteld loop ik verder. Als ik de duiker passeer zie ik ze weer. Ze zwemmen nu aan de overkant van het water, dat zo’n tien meter breed is. Ze gaan te snel om iets te ondernemen. Even verderop staan een aantal bomen en struiken aan het water. De vissen passeren deze plek en ik besluit om hier te gaan posteren. Ik kies om tussen de vegetatie te gaan zitten, daar val ik niet op.
Het is windstil. Ik reken erop dat de vissen vroeg of laat weer terugkomen. Ik neem een aardappel, knijp er een brok vanaf en verstop de haak erin. De rest maak ik fijn en dient als voer. Met een onderhands pendelworpje deponeer ik mijn aasje ongeveer één meter uit de overkant. Een kringetje geeft de plek aan waar het aasje zojuist de wateroppervlakte beroerde. In een beweging strooi ik de rest rond het aasje. Ik leg de hengel op de steunen en hang een aluminiumkokertje in de lijn. Ik trek voorzichtig aan de lijn en draai de vrijgekomen lijn op. De lijn staat nu wat strakker. De waker hangt nu zo’n halve meter onder de hengel. Hurkend wacht ik op de dingen die komen gaan.
Het is rond het middaguur als ik in mijn rechterooghoek twee schaduwen zie naderen. Ze zijn terug, de grote en de kleine!! De vissen koersen op de goede hoogte. Nu maar hopen dat ze geïnteresseerd zijn. Langzaam komen ze dichterbij, een halve meter voor de voerplek duiken ze en dan gaat alles ineens heel snel. Ik zie een staatlob die mij boven water toezwaait, kijk in een flits naar de waker die in twee schokken omhoog wipt en sta even later met een tot in de voegen buigende hengel in de handen. Ik heb niet eens de tijd gehad om de haak te zetten. De vis koerst naar links en zwemt onder een overhangende boom door. Snel de hengeltop onderwater en de vis naar “open” water dirigeren. De karper neemt een schotje naar links, duikt naar de overkant om zich in een half onder water hangende struik te boren, maar geeft het, nadat ik iets meer druk op de hengel zet, snel op. Gedwee komt ie naar de kant en draait nog enkele rondjes onder de hengeltop. Inmiddels ligt het schepnet in het water en houd ik de steel tussen de benen geklemd. Als de vis boven het net “hangt” gaat deze langzaam omhoog. Met twee handen til ik het hele zaakje omhoog. Zo, die is binnen. Ik meet en weeg de vis. Op het droge lijkt de vis wat minder groot dan in ’t water. Met 71 hele centimeters en net onder de 18pond is het toch wel een mooie vis. Een toevallige voorbijganger maakt een paar kiekjes, voordat de karper weer in z’n element terug gaat. Dit is genieten!!! Wat is vissen toch een mooie hobby.