Opgericht 20 juli 1951.
Goedgekeurd bij KB d.d. 16 november 1955.
Kamer van Koophandel Den Haag nr. 40408022
Aangesloten bij de Federatie Zuid West Nederland
Vrije hengelkeuze.
In het eerste deel hebben we het over de vaste stok gehad. We hebben gezien dat de beperking van de vaste stok is dat je niet op verschillende afstanden het water kunt afvissen, maar je “kantvisserij” gebonden bent. Een heel sterk punt van de vaste stok is echter dat je secuur kunt vissen, en een aasje tot op de centimeter nauwkeurig kunt aanbieden.
Laten we nu eens kijken wat we zoal kunnen doen als het een wedstrijd met een vrije hengelkeuze betreft. Ik laat mijn hengelkeuze vaak afhangen van de keuze van de naaste concurrentie. Als de concurrentie alléén een vaste stok optuigt kies ik ervoor om de vaste stok en de feederhengel of matchhengel te gaan gebruiken. Soms (sterk afhankelijk van het water) kies ik ervoor om alléén een feederhengel in de strijd te gooien. Vaak kiest de concurrentie om de vaste stok en de feederhengel op te tuigen, maar zal de feederhengel veelal als "bijhengeltje" gebruikt worden. We kunnen gebruik maken van de vaste stok, de winkle-picker (feederhengel), de swingtip en de matchhengel. Ik denk dat we voor hooguit twee verschillende disciplines per wedstrijd moeten kiezen. Let wel! Het is niet de bedoeling om constant van de ene naar de andere stek te switchen, het doel is om er (zo snel mogelijk) achter te komen welke stek het meeste en de grootste vissen produceert. Als je ervoor kiest om op twee verschillende afstanden te gaan vissen is het niet meer dan logisch dat je óók twee voerplekken maakt. Zorg ervoor dat je voerstekken "volwaardig" zijn om veel vis te kunnen opleveren. Maak je voerplekken NIET TE DICHT IN DE BUURT VAN ELKAAR. Wanneer je dat toch doet zorg je ervoor dat de vissen in de buurt zich opsplitsen en/of constant van de ene naar de ander voerplek zwemmen. Op die manier zul je nooit het volle rendement uit de gekozen tactiek halen. Erger nog, je zult jezelf zo goed als uitschakelen voor een goede klassering.
Van lijndiktes tot haakkeuze voor de feederhengel etc:
Als hoofdlijn gebruik ik een harde 16/00 nylonlijn. De onderlijn is 12/00 en als haak gebruik ik normaal een haak 16 met een lange steel en ronde bocht. Afhankelijk van de afstand en het eetgedrag van de vis gebruik ik een grote of kleinere voerkorf. Ik gebruik géén schuifsysteem maar meer een paternoster. De voerkorf bevestig ik op een 30cm lange onderlijn, die weer bevestigd is aan een tonwartel. Dit geheel bevestig ik met een bloedknoop aan de hoofdlijn. Vervolgens knoop ik een (tussen de meter en anderhalve meter lange dwarrellijn) met een bloedknoop aan het onderste oog van de wartel vast en bevestig daar de haak aan (zie tekening). Mijn favoriete aasje voor deze manier van vissen is de combinatie van een mestpiertje en een made, maar zoals zo vaak bevestigen uitzonderingen de regel en is het zo dat ik met bijvoorbeeld een enkele dikke made ook hele goede resultaten heb geboekt.
Bepaling van de visafstand en voerplek:
Oké, we maken een hengelkeuze. De keuze van de tweede hengel zal meestal naast de vaste stok de feederhengel zijn. Ik kies ervoor om met de “feeder” zo ver mogelijk in de overkant te vissen en ga als volgt te werk. Ik kijk eerst hoever ik met een lege voerkorf kan gooien, en kijk wat voor invloed de wind heeft op de richting en de afstand waarin ik werp. Mocht het zo zijn dat ik met de “afstandhengel” de overkant kan bereiken dan probeer ik de voerplek zo dicht mogelijk tegen de overkant te maken, echter ik check eerst of het diep genoeg is
(tussen één en twee meter) en hoe het bodemverloop is. Is het “strak aan de overkant” te ondiep, dan zoek ik de rand van de vaargeul op en vis net “op” het talud. Dit doe ik door een aantal keren met een loodje naar de overkant te gooien en deze heel langzaam binnen te draaien. Tijdens dit binnendraaien zul je de contouren van de bodem enigszins kunnen voelen en kun je een “plaatje” maken van het bodemverloop.
Hulpmiddelen.
Om constant op de goede afstand te vissen kun je de lijn op de gewenste afstand vastzetten tussen de hiervoor bestemde lijnclip op de molenspoel. Het werkt goed, maar waak ervoor dat je de afstand niet te vaak “overgooit” want dit zal onherroepelijk tot lijnbreuk leiden. Ook het haken van een grote vis (lees: karper) kan problemen geven. Een andere optie om op de juiste afstand te blijven vissen is het gebruiken van een strakke elastiek, die je op de juiste afstand op enkele malen op je molenspoel wikkelt. Zelf maak ik géén gebruik van zo’n hulpmiddel maar probeer “op gevoel” de juiste afstand te overbruggen.
Het voeren:
Na het startsignaal voer ik voor de vaste stok zoals ik in het eerste deel beschreven heb. Het voeren op langere afstand is lastiger. Vroeger gebruikte ik een voerkatapult maar als ik het goed begrepen heb is het gebruik van katapulten niet meer toegestaan. Ik zie altijd veel mensen lang voor het startsignaal voerballen kneden, en deze (na het signaal) zo snel mogelijk in het water keilen, om nog sneller te kunnen beginnen. In de tijd tussen het kneden van de ballen en het startsein weten vele voermaden de weg uit de voerbal te vinden en blijven er veelal een aantal “levend voer arme” voerballen over. Ook vallen de ballen vaak in brokken uiteen. Als je óók nog bedenkt dat na een voerbombardement het grootste gedeelte van het visbestand gestrest rond zwemt en eerst tot zichzelf moet komen, kun je jezelf afvragen of het wel zo verstandig is om zo te werk te gaan.
Ik kies ervoor om enkele keiharde voerballen (tennisbal formaat) vlak voor het startsignaal te maken de rest van de voerballen na het startsignaal te maken. Als je ver en secuur kunt gooien probeer ze dan met de hand op de uitgekozen plek te krijgen. Maak anders wat kleinere ballen en gebruik een voerstick.
Het vissen:
Na het voeren laat ik de verre stek rusten en begin met de vaste stok. Mocht het zo zijn dat ik na een uur géén beet heb gehad of weinig heb gevangen, probeer ik het op de verre voerplek. Vaak is het meteen raak. Als de vissen dik op de stek liggen en azen als gekken hoef je vaak niet veel te doen om de haak met enige regelmaat te kunnen zetten. Soms laat ik de vaste stok voor wat ie is en begin meteen met de feederhengel.
Als het water enigszins trekt of stroomt maak ik daar dankbaar gebruik van. Ik ga met mijn gezicht met de stroming mee zitten, en NIET tegen de stroming in. Na het inwerpen sluit ik niet direct de beugel van de molen maar geef nog even een paar slagen extra lijn. De lijn zal zodra de voerkorf op de bodem landt door de stroming opgepikt worden. Dit betekent niet dat het aas ook meteen op de bodem ligt, immers ik vis met een dwarrellijn van ca. anderhalve meter. Het aas doet er dus iets langer over om naar de bodem te zakken. Dit is regelmatig het moment dat actieve vissen toeslaan. De lijn wordt dus na het landen van de voerkorf door de stroming opgepikt en de hengeltop zal ietwat krommen. Ik laat het geheel zo even staan, en trek het zaakje niet meteen strak in verband met het hierboven beschreven aanbeet scenario. Als een aanbeet uitblijft, neem ik de hengel van de steun, houd de hengeltop wat omhoog en draai heel voorzichtig de ontstane bocht uit de lijn. Dit kan het volgende moment zijn dat een vis toehapt. Als een aanbeet wederom uitblijft laat ik de hengel even op de steun rusten. De volgende stap die ik zet bij het uitblijven van een aanbeet is het tergend langzaam over de voerstek trekken van het aasje. Dit langzaam verplaatsen van het aas mondt ook vaak uit in een kromme hengel. Deze laatst beschreven techniek werkt ook erg goed bij stilstaand water.
Uit de praktijk staan mij nog twee mooie voorbeelden bij waarin ik op deze manier vissend prima resultaten wist te behalen.
Het eerste voorbeeld was een individuele (en korpsen) vrije hengelkeuze wedstrijd in het Vliet nabij Leidschendam. Ik had op een relatief breed stuk geloot. Het water is daar ongeveer 40 meter breed, en tegenover mijn stek, aan de overkant, mondt een smal slootje in de Vliet uit. Ik koos ervoor om de vaste stok en de feederhengel in te zetten. Na het startsignaal en de voerceremonie begon ik met de vaste stok. Het was een taaie wedstrijd. Ik ving geloof ik twee of drie voorntjes in anderhalf uur tijd. Op een gegeven moment viel mijn blik op actie aan de overkant. Een om mijn stek rollende brasem!!!! Vaste stok inruilen voor de feederhengel, een mestpier en made op de haak, en even de korf in de voerbak vullen. Na een ferme zwiep belandde het geheel boven op de stek. Nog géén vijf minuten later lag er een platte in het schepnet. Al met al ving ik in de laatste anderhalf uur van die wedstrijd bijna 9 kilo vis en behaalde een nette tweede plek.
Het tweede voorbeeld is dezelfde wedstrijd op hetzelfde water, maar dan een jaar later. Dit keer lootte ik op ongeveer 50 meter van “het burgemeestershuis”. Hier is de vliet ongeveer 25 meter breed. Als je tegenover dit gebouw loot kan, als je het goed aanpakt, een goede klassering niet uitblijven. Helaas zat ik zat er normaal gesproken “ver” naast. Tijdens de voorbereidingen op de wedstrijd verbaasde het mij dat niemand tegenover “het burgemeestershuis” de feederhengel optuigde. In zo’n situatie tuig ik dus alléén de feederhengel op. Er stond een lichte stroming naar links, en ik zette flink wat voer met veel levend aas op ongeveer drie meter uit de overkant. Ik ving in de drie uur durende wedstrijd ruim 15 kilo vis. Ruim voldoende voor de overwinning. Ook de eerste korpsprijs was voor ons team met een totaal aantal punten van 12, te weten 3 eerste, een vierde en een vijfde plek.
Tot zover de vrije hengelkeuze. Goede vangst.
George