Opgericht 20 juli 1951.
Goedgekeurd bij KB d.d. 16 november 1955.
Kamer van Koophandel Den Haag nr. 40408022
Aangesloten bij de Federatie Zuid West Nederland

 
 
 

Wintervissen: Over bivakmutsen, bevroren lijnen en bakkûh van voorûns.

Ik sta bij de halte en wacht. Af en toe werp ik een blik naar links in de hoop dat ik de verlossende koplampen van lijn twee uit het duister zie opdoemen. Het is fris, fris?.......zeg maar gerust koud. Mijn gedachten gaan terug naar de jaren dat ik elk weekend aan de waterkant vertoefde. Goh, het lijkt wel een eeuwigheid geleden. Ben ik zo oud geworden? Deze vraag verder in het midden latende denk ik aan een januaridag ergens in de tachtiger jaren. Het was een zaterdagochtend en bikkelkoud. Het Voedingskanaal lag er sprookjesachtig bij, het water was spiegelglad en er stond een lichte stroming richting de Oude Maas. “Oh, daar is ie dan eindelijk”. In de verte zie ik een camel/roodkleurig gedrocht met twee opflikkerende ogen aankomen snellen. Als de tram voor het perronnetje stopt, de deuren openzwaaien en ik mij in de buik van het monster begeef, ga ik weer terug in de tijd en ben weer aan het Voedingskanaal beland. Wat was dat een mooie visdag zeg!!!  Gedurende de eerste uren waren de aanbeten en de gevangen vissen op één hand te tellen. Toen de zon eenmaal wat hoger aan de horizon kwam te staan werd het pas leuk. In de volgende drie uur ving ik in totaal 22 kilo aan voorns. Als je bedenkt dat een mooie voorn zo’n 200 gram weegt dan heb je het over ca. 100 vissen.  Zoals de lente, zomer en herfst hun top vangsturen hebben, heeft de winter die ook. Midden op de dag is het veelal iets warmer dan in de ochtend of avond, en voor een koudbloedig dier is dat van belang. Als dan ook de zon nog schijnt heb je een mooie kans op goede vangsten. Het is wel zo dat de vis minder eet en korter actief is (aast) dus we minder voer zullen moeten gebruiken.

 George

Nostalgische foto: 37 voorns en 5 platten aan ’t eind van de winter gevangen. 

Een mooi wintervoorn voertje.
Als basis gebruik ik paneermeel, beschuitmeel, en maïsmeel. Als ik in een water vis dat dieper is dan twee en een halve meter, gebruik ik 50% paneermeel, 30% beschuitmeel en 20% maïsmeel. Hoe dieper het water hoe meer paneermeel en hoe minder beschuitmeel. Paneermeel is nu eenmaal zwaarder dan beschuitmeel dus zinkt het sneller en blijft beter op de voerstek liggen. Voor ondiep water geldt dan natuurlijk dat ik meer beschuitmeel gebruik en minder paneermeel. Maar het totaal aantal procenten blijft voor de basis altijd 100. Ook het maïsmeel gehalte kun je wijzigen, maar let er wel op dat maïsmeel erg voedzaam is dus de vissen er sneller van vol raken.
                                        
Wat zijn nu uitgesproken voornvoer ingrediënten? Dan kom je snel bij zaden en peulvruchten terecht. Hennep, arachidemeel (pinda), notenmeel, lijnzaad, karwijzaad (komijn) en maanzaad zijn van die typische voornvoer bestanddelen. Alle ingrediënten (behalve het notenmeel) zijn vettig en/of olieachtig en zullen je voer op de bodem “activeren”. Notenmeel is heel donker en gebruik ik als kleurstof. Gemalen karwijzaad als geurstof maakt het geheel af.
Als extraatje heb ik in een eerder artikel wel eens Amorce X21, een voertje met een zeeplucht, genoemd. Als het nog bestaat zou ik het zeker eens uitproberen.Als ik een mooi voornvoertje zou maken zou het er, ervan uitgaande dat één deel 100 gram is, als volgt uitzien:
  • 5 delen paneermeel
  • 3 delen beschuitmeel
  • 2 delen maïsmeel
  • 3 delen gemalen hennep/arachidemeel en/of gemalen lijnzaad
  • 1 deel notenmeel
  • 1 deel gemalen maanzaad
Het geheel afmaken met gemalen karwijzaad.

 

Tuig en techniek.
Er zijn zoveel verschillende technieken als er vissers zijn. Iedereen denkt dat ie het juiste doet en als je dat op het eerste gezicht bekijkt klopt dat ook. We vangen allemaal ons visje en zijn daar tevreden mee. Maar, je kunt ook de lat voor jezelf hoger leggen. Als je met een bepaalde techniek een aantal keren goed vangt dan ben je geneigd om die keer op keer te hanteren. Je zult zien dat het absoluut niet altijd werkt. Daarom is het goed om tijdens een dagje vissen eens te experimenteren, zeker in de winter. De basis waar ik van uit ga is de volgende:
  • voor een waterdiepte van een meter gebruik ik een dobber met het drijfvermogen van een halve gram en vermeerder het drijfvermogen
    met een halve gram voor elke meter dat het water dieper is.
  • ik begin met 10/00 en een haakje 16. Ik zorg ervoor dat ik een topset (voorzien van elastiek) met 8/00, en haakje 18 of 20 klaar heb liggen.
  • ik vis in het begin tegen de bodem aan, of net ( 1cm) op de bodem. De aanbieding in de winter is uitermate belangrijk.
  • als lood gebruik ik een druppelloodje met centraal gat en als stopper een loodhagel. Indien nodig daaronder een minuscuul loodhageltje. De haak komt ca. 25 cm onder het lood.
  • als aas gebruik ik 1 vismade of een caster.
Het aas en de aasaanbieding.
In de winter zal een vis proberen om zo min mogelijk energie te verspillen om aan z’n dagelijkse hoeveelheid voedsel te komen. Zoals ik hiervoor al schreef eet de vis minder en is de aasperiode korter. Om de voorn tegemoet te komen zorg ik ervoor dat de vis- en voermaden een dag in fijne polenta rondkruipen. Hierdoor krijgen ze een superzachte huid en zijn door de vis makkelijker leeg te zuigen. Ook ben je de ammoniaklucht kwijt. Wijk ook eens een keer van je aaspresentatie af. Ik begin bij de basis van 1 vismade. Is de made zonder dat je beet gekregen hebt uitgezogen, dan kan dit erop duiden dat je te diep vist. Schuif je pen enkele millimeters naar beneden. Het  kan eventueel ook zijn dat de vis zo voorzichtig is dat je de aanbeet niet ziet. Dan schuif ik de made geheel op de haaksteel, zodat de haakpunt met weerhaak vrij komt. Als dit niet naar behoren werkt, neem ik een tweede made en zet die op de bocht. Een hele effectieve aanbieding bij voorzichtig azende vissen is een “geknipte” made op je haak zetten. Zet eerst de made voorzichtig aan z’n velletje op je haak en knip daarna het zwarte puntje af. Resultaat kan niet uitblijven.Een caster kun je net als de made in de lengte op de haaksteel zetten, mocht je een superkleine haak gebruiken, dan verstop je de haak in de caster.  

 

Het vissen.
Nu we de basis gelegd hebben kunnen we gaan vissen. De voerplek moet zo compact mogelijk blijven. Afhankelijk van het bodemverloop voer ik het liefst onder de top, mocht het zo zijn dat we te maken hebben met een aflopende bodem, dan voer ik ca. één meter dichterbij. Voer niet teveel, als de beet er eenmaal in zit kun je kleine handjes los voer bijgooien. Afhankelijk van het aantal keren dat ik aanbeten mis zal ik de visdiepte met millimeters aanpassen. Dit klinkt allemaal erg pietluttig maar vergeet niet dat een paar millimeters dieper of ondieper voor de vis het verschil maakt tussen happen en laten gaan. In stilstaand water speel ik veelal met het aasje door de hengel, als een ruitenwisser die op interval geschakeld staat, één á twee meter heen en weer te bewegen over de voerplek. Dit moet natuurlijk langzaam en met beleid uitgevoerd worden. Een enkele keer til ik het aasje enkele centimeters op en laat het weer rustig op de voerplek terugzakken. Op deze manier probeer ik de aanwezige vis tot toehappen te verleiden. Als het water langzaam stroomt heb je een ideale situatie om bovenbeschreven techniek uit te breiden. Houd het aas enige tijd stil op de voerplek laat het daarna een meter meedriften om vervolgens het aasje weer tegen te houden. Dit is hét moment voor de vis om toe te slaan. Krijg je op dat moment géén aanbeet, laat je het aas nog wat verder driften om het vervolgens weer te stoppen. Inmiddels vis je ongeveer twee meter van je originele voerplek af. Je kunt dan heel voorzichtig je aas tegen de stroom in dirigeren richting voerstek en je zult zien dat dit menigmaal resulteert in een aanbeet. Je kunt ook je aas in de stroomrichting verplaatsen, en zo een snellere drift manipuleren. Op de momenten dat je het niet verwacht zal dit een verrassend effect hebben. Het is altijd uitproberen hoe de vis het aasje aangeboden wil hebben. Om deze techniek optimaal te benutten zou je wel twee á drie centimeter over diepte moeten vissen. 

 

Tot slot.
Als je dan denkt dat je elk scenario kent dan zijn er altijd van die dagen waarin je al de logische benaderingen overboord moet gooien en het meest onlogische moet doen (wat op dat moment dan weer logisch is). Om deze stelling te bekrachtigen graaf ik even diep in mijn geheugen en put uit de bron der herinnering. Ik weet nog goed dat ik aan een open wedstrijd aan de Ringvaart bij Hillegom meedeed. Het was echt barkoud, er stond ook nog een keer een harde noordoosten wind, en er werd géén ene vis gevangen. Eigenlijk was het helemaal niet leuk. Tot overmaat van ramp ging het nog een keer knoerthard stromen. Tja, wat moet je in dat geval dan doen? Naar huis gaan? Neen, eerste een kop koffie uit de thermoskan nemen en vervolgens een lumineus idee uitbroeden. Nadat het lampje ging branden deed ik drie maden op de haak, zette ik mijn pen en lood een meter dieper, en viste net met het lood boven de bodem. Ik liet het aas met de stroming meedriften. Al met al kreeg ik drie aanbeten en viste iets van 1200 gram bij elkaar. Hiermee werd ik derde, in een veld van 150 man, waarachtig geen slecht resultaat. Dit is wel zo’n beetje hetgeen dat ik in dit artikel wilde delen. Succes maar weer, ik ga hard nadenken over de inhoud van een volgend artikel.

 

George van Hutten                                                                            
 
 
  Webdesign by Rabbitweb, copyright 2009