Opgericht 20 juli 1951.
Goedgekeurd bij KB d.d. 16 november 1955.
Kamer van Koophandel Den Haag nr. 40408022
Aangesloten bij de Federatie Zuid West Nederland

 
 
 

Wedstrijdvissen.

Opwarmertje!!!!!

De winter is zo goed als voorbij. Het ijs is weg en onze geliefde stekken zijn weer bevisbaar geworden. Nu de dagen lengen gaat het snel, de temperatuur gaat omhoog, de zon komt weer te voorschijn en we kunnen ons weer opmaken voor een nieuw seizoen aan de waterkant. In het navolgende relaas heb ik een poging gedaan om de sfeer, de spanning en de elementen geluk/pech/afdwingen weer te geven die onze hobby tot een prachtige (ik zou bijna  zeggen “vorm van kunst”) sport maakt.

Van fouten leert men?!

In mijn gedachten ben ik in het jaar 1986. Eigenlijk moet ik nog een jaar terug gaan. Vooruit dan, daar gaat ie. Het is juni 1985 en ik heb mij niet geplaatst voor het Nederlands Kampioenschap (NK). Ik baal als een stekker. Wil en Jan hebben zich keurig in de top-20 gevist en daarmee een startbewijs voor het NK bedongen. Wat is er eigenlijk mis gegaan? Heb ik slecht gevist, of is de loting de oorzaak van het tegenvallende resultaat? Was het misschien een combinatie van beiden?  Het Federatie kampioenschap werd over drie wedstrijden vervist, twee (op dezelfde dag) in het Voedingskanaal bij Geervliet en de derde in de Gouwe tussen Alphen a/d Rijn en Gouda. Het begon zo goed. De eerste wedstrijd was veel belovend. Het weer zat mee, de zon scheen, er was weinig tot geen bewolking en er stond een lichte bries. Ik viste met de vaste stok op 11 meter. Vanaf het begin van de wedstrijd zat de beet er goed in, ik ving op een paar gram na 11 kilo vis en werd tweede in het vak. De tweede wedstrijd was in de middag en het parcours was een stuk verder richting Zwarte Waal uitgezet. Ik had zowel de matchhengel als de vaste stok opgetuigd. Het Voedingskanaal is op ca. dertig meter uit de kant zo’n 3,5 meter diep. Met de matchhengel vis ik het liefst met een vaste dobber (kom ik nog wel een keer op terug). Ik begon de wedstrijd met de matchhengel, en kreeg zowaar naar een kwartiertje vissen een aanbeet. De pen verdween van het ene op het andere moment en ik zette de haak. “Sh.t gemist”: ik voelde niets en teleurgesteld draaide ik de lijn binnen om een paar nieuwe maden op de haak te prikken. Toen ik de lijn uit het water tilde hing er zowaar een pos aan de haak. Het diertje had de haak geslikt. Voorzichtig verwijderde ik de haak en deed het visje in het leefnet, want vis is vis en de nul was eraf. Dat dacht ik althans want na enkele minuten kwam ie levenloos aan de oppervlakte drijven. Wat nu? In het reglement staat dat je de vangst levend ter weging moet aanbieden om eventuele diskwalificatie te voorkomen. Omdat we nog vroeg in de wedstrijd zaten en ik ervan overtuigd was dat ik zeker nog vis zou vangen gooide ik het visje weer terug in het kanaal. Na een uurtje vissen vloog tijdens een ongecontroleerde worp de lijn vreselijk in de war en ik koos toen (uit gemakzucht) om met de vaste stok verder te vissen. Dit kwam me duur te staan, ik kreeg op z’n Brabants gezegd “nooit gene beet” en kreeg 41 punten aan m’n broek ( als je dan hoort dat er maar negen man in je vak vis hebben gevangen komt de klap nog harder aan).  De derde wedstrijd was nog in het belang van het korps, maar zelfs dat was me dat jaar niet gegund. De gouwe lag er spiegelglad bij en het water was super helder. Op een meter of acht uit de kant kon je de bodem nog zien. Hier en daar werd er een visje gevangen maar echt om over naar huis te schrijven was het niet. Ook in deze wedstrijd bleef ik op de “hatelijke” nul staan.Achteraf gezien denk ik dat ik niet had moeten proberen om de pos te onthaken  maar dat ik de lijn had moeten doorknippen en hopen dat het visje zou blijven leven. Tevens had ik niet zo laks moeten zijn en had de lijn moeten ontwarren om verder te kunnen vissen met de matchhengel. Maar dan nog was er die derde wedstrijd. Tja, als als als. We kennen het allemaal.

Een nieuwe kans.

Zo, we zijn nu een jaar verder. We hebben ons, met het zelfde korps als het jaar daarvoor, ingeschreven voor het Federatie kampioenschap. Ons korps bestaat uit Jan van Berkel, Ad Opheij, Coen van de Berg, broerlief Wil en ondergetekende. De eerste twee wedstrijden worden in het Kanaal door Voorne vervist en het Voedingskanaal is het strijdtoneel voor de laatste wedstrijd. Medio april is de eerste wedstrijd. De voorbereiding is hetzelfde als altijd. Het is nog vroeg in het seizoen en daardoor heb ik het voer niet te voedzaam gemaakt. Omdat ik op brasem gok, heb ik er een hoop zoetigheid in gedaan. Ik neem niet te veel voer mee, wel plenty voermaden en casters en wat dikke vismaden. Het voornaamste verschil met vorig jaar is dat ik een nieuwe vaste stok heb gekocht. Een stuk lichter dan de vorige en anderhalve meter langer.  Op de dag van de wedstrijd is het zwaar bewolkt, waterkoud en windstil. Er staat een lichte stroming richting Hellevoetsluis. Ik heb in het eerste vak (vanaf Geervliet) geloot en zit midden in het vak. Uit ervaring weet ik dat dit deel van het kanaal niet het meest productieve deel is, dus zal het wel peuteren worden om een visje te vangen. Na het voerritueel keert de rust aan de waterkant terug. Met recht kan ik dit zeggen want zover mijn zicht reikt wordt er in het eerste uur bijna geen schub gevangen. Ook de broodnodige brasem activiteit aan de oppervlakte ontbreekt. Wat ik ook probeer, ik kan de beet er niet in krijgen. Na twee uur heb diverse trucjes geprobeerd en heb nog steeds niets gevangen. Ik vraag me af wat ik nog meer kan doen. Uiteindelijk wissel ik van topset en ga met een 1 grams pennetje en haakje 18 net op de bodem vissen. Het aasje is één, in den kont geprikte, voermade. Rustig drift de dobber met de stroming mee om dan heel langzaam enkele millimeters te zakken. Wa’s dâh? Aanbeet? In een reflex zet ik de haak en de top van de hengel kromt zich. Aanbeet!! Enkele seconden later ligt er een bleitje van een ons of twee in het schepnet. Al met al vang ik enkele kleine brasems en wat bleitjes met een gezamenlijk gewicht van 2380 gram. De opluchting is groot als na de weging blijkt dat ik derde in het vak ben geworden.Twee weken later zitten we weer aan het Kanaal door Voorne. De omstandigheden zijn anders dan tijdens de eerste wedstrijd. Het is licht bewolkt, de zon schijnt volop en er staat een windje. De temperatuur is de laatste week omhoog geschoten. Ik heb in vak B geloot, ongeveer 50 meter van de hoogspanningkabels vandaan. Er is veel activiteit in het water. Dikke brasems geven “acte de présence” door regelmatig met hun capriolen het wateroppervlak te doorbreken. Tijdens de wedstrijd blijft dit zo. Ik vang een paar vissen maar het is niet wild. Mijn buurman doet het stukken beter, met enige regelmaat haalt hij mooie brasems binnen. Ik krijg zat aanbeten maar sla steeds in het luchtledige. Keer op keer komt de dobber uit het water en soms gaat ie gewoon plat liggen. Er is nog maar drie kwartier te vissen als ik dan eindelijk door heb dat de vis hoog zwemt. Ik schuif de dobber naar beneden en prik drie casters op de haak. In de resterende tijd lukt het mij om toch nog een aantal dikke vissen te landen en vang toch nog bijna 9 kilo brasem. Ik ben wel helemaal weg gevist door mijn buurman, hij vangt ver over de 15 kilo. Als de weging achter de rug is en ik de (voorlopige) uitslag te zien krijg mag ik mijn handen dicht knijpen met een zevende plek.
Dit was mijn eerste kennismaking met zwevend vissen op brasem. Het is een bizarre ervaring om voor de eerste keer brasems op half water te vangen. Na twee wedstrijden heb ik tien punten, en sta in het klassement op een 13e  plek. Wil heeft een 8 en een 6 gevist en staat ongeveer 17e. Ad staat er ook nog redelijk voor. Jan en Coen hebben het iets minder gedaan maar als korps staan we in de tussenstand wel derde. We zullen de laatste wedstrijd nog flink aan de bak moeten om plaatsing voor het NK af te dwingen. De laatste wedstrijd is zo gezegd in het Voedingskanaal. We zitten nu ergens in mei. Op de dag van de wedstrijd is het prima weer. Kabbel, zonnetje, goed temperatuurtje enz. enz. Het lot heeft bepaalt dat een plek in het middelste vak mijn deel is. In eerste instantie lijkt dit ongunstig, maar dit gedeelte van het parcours is in een flauwe bocht van het kanaal uitgezet en levert bijna altijd wel vis op. Mijn idee is om op 11 meter voor de vaste stok en op zo’n 25 meter afstand voor de matchhengel te voeren. Ik heb tijdens het peilen van de diepte zorgvuldig gezocht naar het einde van het, schuin aflopende, stenen talud. Dit ligt iets verder dan 11 meter. Ik kan kiezen om met 12,5 meter te gaan vissen of om m’n slag met twee meter te verlengen en met 11 meter te gaan vissen. Ik kies voor de lange slag. Na de voerceremonie en het startsignaal begin ik met de vaste stok. Na pakweg dertig minuten zit ik nog zonder vis en word een beetje nerveus. De buurman links heeft twee voorntjes gevangen dus de vis zit er wel. Ik schakel over op de matchhengel en zet twee dikke maden op de haak. In een vloeiende beweging zwaait de hengel van achter naar voren. In een rechte lijn landt de vislijn op het water, op circa veertien meter uit de kant. De pen gaat staan en zakt tot het rode puntje van de antenne naar beneden, om enkele seconden later onder water te verdwijnen. In een vloeiende beweging zet ik de haak. Een “plezante” weerstand op de hengel bevestigd dat de vist “hangt”. Even later mag ik de eerste vis van de wedstrijd bejubelen. Een mooie voorn van zo’n driehonderd gram. “Wat ga ik nu doe?” Verder vissen met de match, of zal ik proberen om de vis dichter naar de kant te lokken en de vaste stok in de strijd te werpen? Voordat ik er zelf erg in heb pak ik de vaste stok en prik een caster/made panachée op de haak. De keuze is gemaakt. Door kleine hoeveelheden casters rond de dobber te werpen probeer ik de vissen dichter bij de kant te krijgen. Deze tactische zet mist z’n uitwerking niet want de ene na de andere voorn komt de binnenkant van het leefnet bekijken. Nu is het een kwestie van de vis op de stek proberen te houden middels de boven beschreven tactiek. Naar het einde van de wedstrijd toe wordt het aantal aanbeten wel steeds minder en is elke gevangen vis mooi meegenomen. Mijn linker buurman heeft ook lekker gevist en ik vraag me af wie van ons de ander op sleeptouw heeft genomen. Uiteindelijk blijkt dat ik met 5550 gram mijn buurman met meer dan een kilo achter me heb gelaten. We worden wel eerste en tweede in het vak.

 

Hutten_deel_6_1


Het waren mooie tijden. Tot onze vreugde vissen we deze wedstrijd allemaal erg goed en eindigen als korps in het totaal klassement op een tweede plek. Ik verras mezelf door met 11 punten federatiekampioen ter worden. Wil wordt met 15 punten achtste, Ad met 24 punten 21ste en mist op een haar na het NK. Jan doet het prima met 28 punten en een 30ste plaats en Coen heeft de wind wat tegen gehad en verzameld 62 punten. Het waren mooie tijden.

Hutten_deel_6_2


We hadden een top korps. Met weemoed denk ik nog wel eens terug aan de tijd dat de voerkatapult gebruikt mocht worden, van professionalisering van de wedstrijdvisserij geen sprake was en je met het uitgeven van een paar centen klaar was om een geslaagde dag aan de waterkant te hebben. Helaas, die tijd is niet meer, maar de herinneringen blijven. Voordat ik te melancholisch ga klinken sluit ik maar af met de slogan: Vroegâh was allus betâh, zeg mâh. 

 

George van Hutten
Februari 2010

 

 
 
  Webdesign by Rabbitweb, copyright 2009