Karperbelevenissen (1)

De auteur van dit artikel bijt de spits af van een serie artikelen over de karpervisserij. De auteur is Dennis Oomen. Dennis is sinds kort de voorzitter van de net opgerichte karpercommissie. Wil je meer weten over deze karpercommissie of over Dennis zelf kijk dan op de respectievelijke pagina's over de karpercommissie of in de Hall of Fame.

De WHSV nodigt een ieder uit te reageren op dit artikel of zelf een verhaal aan het papier toe te vertrouwen. Dus heb je een leuke herinnering, heb je de nodige tips, erger je jezelf ergens aan of loop je al een tijdje rond met een vraag waar je het antwoord niet op kan vinden, stuur ons dan een berichtje; het adres is webmaster@whsv.nl

Karper en obstakels - deel 1

Je kan geen karper vangen, op plaatsen waar ze in dat water niet azen. Iedere karpervisser die ik deze stelling voorleg, knikt instemmend. Vreemd genoeg tref bij nagenoeg elk water, karpervissers aan die op plaatsen zitten te vissen die je achter de oren doet krabben. Zo ook in het volgende verhaal ;

Zo zat ik laatst aan het uitwateringskanaal te vissen, op een plaats waar ik weet waar ik de karper kan verwachten en waar ik ze ook vang. Dit betreft de westelijke kant van een brug. Ik weet ze zelfs zo goed te vinden, dat ik niet eens van te voren voer, omdat ik weet dat ik het aas vrijwel voor de bek van de vissen weet te gooien.

Uit ervaring en peilwerk weet ik dat ter plaatse een aantal obstakels liggen en een kleine mosselbank. Steevast als ik mijn aas erop deponeer weet ik binnen no time een vis te vangen. Naast me hoor ik het onmiskenbare geluid van visgerei dat hardhandig wordt neergegooid. Even schrik ik op uit mijn concentratie op mijn waker en zie op een afstand van ongeveer 50 meter een sportvisser zijn spullen optuigen. Er kan nog net een vriendelijk handgebaar van af. Ik zie dat er in rap tempo een tweetal hengels wordt opgetuigd en een rodpod wordt geïnstalleerd. Ik zie de visser voeren en hoor dat er een aanzienlijke hoeveelheid boilies in het water wordt gedeponeerd. Vervolgens wordt er ingeworpen en even later liggen de twee hengels op de rodpod en gaat de visser, kennelijk vermoeid van alle inspanningen op een stretcher zitten en leunt tevreden achterover.

Plons! Mijn blik verplaatst zich van mijn waker naar de tweede pijler van de brug. Kennelijk wilde een karper even kijken of ik er wel zit, zo speelt mijn gedachten. De kring die achterblijft doet een grote vis vermoeden, maar uit ervaring weet ik dat dit zelden het geval is. Op het moment dat ik weer naar de waker kijk, zie ik dat deze een paar keer schokt. Ik sta op scherp. Het duurt een eeuwigheid, maar dan gebeurt het toch; de waker loopt in een vloeiende beweging naar boven. Wat daarna gebeurt is routinematig. Ik sla rustig aan en merk direct dat ik een knolletje aan de lijn heb. Binnen een minuut ligt hij in het net. Net als ik hem terug wil zetten, hoor ik een stem zeggen : “ Zo, heb je er een? “ . Voor ik het weet, terwijl ik een vis van een pondje of 8 terugzet, ben ik verwikkeld in een gesprek over onze hobby. “ Ik zit lekker uit de wind!. Waarom kom je niet naast me zitten? Er is nog plek genoeg! Dan heb je het niet zo snel koud. “. Net als ik wil uitleggen waarom ik aan deze kant zit, bedenk ik me. Ik besluit om me van de domme te houden en de vraag terug te kaatsen. Met de meest onschuldige blik vraag ik : “ Waarom kies je eigenlijk die plaats waar je nu zit? “ . “ Nou “ , legt de visser uit, “ Vorige week heeft een jonge knul een dertiger gevangen hier! Die wil ik eigenlijk ook wel vangen. Ik zit daar prima en ik kan mijn auto daar kwijt.” . “ Vis je hier wel vaker? “, probeer ik weer. “ Nee, niet vaak, ik probeer het gewoon een nachtje. Ik vis tegen de brug aan, daar zal hij vast wel zitten. “. “ Nou, succes ermee “ en weg was de visser, om weer ontspannen bij zijn hengels te gaan zitten. Ik moest inwendig lachen, want de plaats waar hij zit te vissen ligt bezaaid met rotzooi.

Ik weet uit ervaring dat dit de slechtste plek is om te zitten, je zit er om de haverklap vast en ik heb er geen mosselbank of iets dergelijks kunnen ontdekken. Ik wordt na een halfuurtje opgeschrikt door en elektronische beep van mijn nieuwe buurman. Ik zie hem nog aanslaan en zijn hengel staat krom als een hoepel. Ervaren ga ik er eens goed voor zitten. Ik zie de visser heen en weer lopen en zijn hengel krommer en krommer gaan staan. Na een vijftal minuten met het betere trek- en sleurwerk zie ik de visser besluiten om zijn hengel horizontaal achteruit te trekken. Een bekend geluid is het gevolg, alsmede een godslastering. Ik kan m’n lachen net inhouden en ik grinnik. Mijn aandacht gaat weer naar de waker. “ Gloeiende, gloeiende!”. Ik kijk op en zie de visser zijn andere hengel in zijn hand hebben met dezelfde curve. De geschiedenis herhaalt zich en wederom besluit de visser de hengel naar achteren te brengen. Ik zie dat de lijn weer breekt. Wat daarna gebeurt, verbaast me niets. Ik zie de visser alles opruimen en geïrriteerd alles achter in zijn auto smijten. Vervolgens loopt hij mijn kant op. “ Tjonge, jonge, ik ben alweer twee rigs kwijt! Ik kap ermee, je zit daar steeds vast! “. En toen kon ik het niet laten : “ Had u niet gepeild dan?”, vraag ik onschuldig. “ Nee, dat hoeft hier toch niet, je ziet hier toch geen planten of zo? “. “Ik ga ergens anders proberen, want dit is niks! “. De visser loopt terug naar zijn auto en rijdt kennelijk nog steeds geïrriteerd met volgas weg. Hoofdschuddend grinnik ik nog wat na en ik besluit om ook te stoppen, want de wekker gaat de volgende dag weer vroeg.

De volgende avond besluit ik om bij de brug te gaan kijken. Niet zelden heb ik ervaren, dat na het zien vangen van een vis, er iemand de volgende dag op je stek zit. Dit bleek het geval, maar het was niet de man die ik verwachtte. Ik zag op mijn stek een jonge knul zitten achter een rodpod. Meteen viel me op dat zijn hengels gericht zijn op de plek waar de mosselbank ligt. Ik besluit een praatje te maken. De jongen blijkt in het geheel niet schuw en vertelt me dat hij deze kant heeft uitgekozen om dezelfde reden dat ik er vaak zit. En dan komt het : “ Ik heb hier vorige week nog een dertiger gevangen!”, zegt de jongen . “ Hier op deze plek? “, vraag ik, eigenlijk ten overvloede. “ Natuurlijk, want aan de andere kant zit je constant vast en de vis komt er ook niet graag. Volgens mij is daar niet veel te eten, behalve rommel.” Ik knik bevestigend. “ Vorige week zat daar iemand te vissen en die zat continue vast. Snap jij wat zo iemand bezielt om daar te vissen? “ zegt de jongen. “ Nou, je zit er wel lekker uit de wind! “ zeg ik. We schieten allebei in de lach. De jongen kan niet weten dat mijn opmerking eigenlijk niet als grap was bedoeld. Ik besluit om lekker thuis een bakkie te gaan doen en wens de jongen veel succes. Als ik naar de auto loop realiseer ik me ineens dat ik evenveel kans op een mooie is heb gehad : een dertiger! Dat zou mooi zijn!

Het bovenstaande verhaal is echter geen incident. Ik maak het zooo vaak mee. Iemand komt aan een water en beslist meteen waar hij gaat zitten. Zonder enige voorbereiding. Zelden wordt er door zo iemand gevangen, een toevalstreffer uitgezonderd.

Ik zelf ben opgegroeid met het karpervissen, voor het boilietijdperk. Ik had al snel in de gaten, dat voerplekken aanleggen een moeilijke bezigheid was en dat het rendement vaak laag bleek met de aassoorten van toen. Alleen met de aardappel kon nog wel eens een mooie voerstek worden aangelegd. Ik moest dus zorgen dat ik het aas op de plek neergooide waar de vis zat en bereid was om het te pakken. Ik heb daardoor veel ervaring opgedaan. In het observeren van de vis die ik wilde vangen welteverstaan. Als ik de modernere karpervissers spreek, komt het karpervissen van tegenwoordig neer op een soort van mathematische kansberekening. Je neemt een water, bekijkt het bodemverloop en kijkt waar de wind vandaan komt. Als je die zaken weet, dan moet je de stekken zo kunnen uitkiezen. Verdere observatie lijkt overbodig. Maar in de praktijk klopt zo’n beredenering niet altijd. Ik neem veel tijd om een water te observeren. In de meeste wateren, kan ik de vissen snel spotten. Ik weet waar ik naar op zoek ben. Ook wil ik de meeste wateren eerst eens verkennend bevissen. Met de pen dus. Ik struin de kanten af en vang op deze manier vaak de eerste vissen op zo’n water. Na een tijdje ontdek ik een soort van patroon, die vaak afwijkt van de plekken waar ik na het nodige peilwerk de vissen aanvankelijk had verwacht. Er spelen zoveel factoren mee die bepalen waar de vissen zich willen ophouden. Vaak kan ik ze beredeneren, soms ook niet. Uiteindelijk maakt het niet uit, want ik weet ze te vinden, daar gaat het om! Tijdens het observeren, ontdekte ik dat in veel wateren tegenwoordig, de vissen gewend zijn aan verstoringen van de rust. Dat heeft vrijwel altijd tot gevolg dat de vissen afwijkend gedrag vertonen, ten opzichte van bijvoorbeeld karpers die leven in polderwater. Die vissen maken dat ze wegkomen bij elk ( mogelijk ) gevaar. Nee, die watertjes van tegenwoordig maken dat de vissen zich graag ophouden bij obstakels en daar ook in de buurt azen. Ze zijn niet zo makkelijk te verjagen, maar ze zijn, mede door overbevissing, moeilijker vangbaar op open plekken, waar ik de bivvy – boys regelmatig zie. Ook zijn veel wateren nachtwateren geworden.De karper aast er alleen als het donker en rustig is. Ok, hoe vang ik ze dan toch? Dat leg ik uit in een vervolgartikel “ obstakelvissen “

Wordt vervolgd!

Groet en vangze! Dennis Oomen (karper@whsv.nl)

Lees ook de ervaringen van Dennis op betaalwater

Lees ook de toelichting van Dennis over het gebruik van eigen termen in de karpervisserij